Het orgel in de Grote Kerk te Tholen is oorspronkelijk afkomstig uit de Galileërkerk te Leeuwarden. Deze kerk werd in 1940 afgebroken vanwege plannen voor een nieuw kerkgebouw op dezelfde plaats. Na de oorlog besloot men echter een modern kerkgebouw te bouwen in een der buitenwijken. Hierin zou het oude orgel niet meer passen. Aanvankelijk werd het orgel geschonken aan de Hervormde Gemeente te Doesburg, maar deze stond het in 1955 af ten behoeve van de gerestaureerde Kerk van Tholen. Hier wordt het orgel geplaatst als vervanging van een in 1900 door J. Hilboesen gemaakte orgel.

Orgelfront

Het orgel van Tholen is ondanks of misschien wel dankzij zijn complexe ontstaansgeschiedenis een imponerend instrument. Het Hoofdwerk kenmerkt zich door zijn lage tertsmixtuur en dito Cornet als een voornaam begeleidingsklavier. Het kleine Rugwerk-plenum voegt daar via de manuaalkoppel een grote hoeveelheid brilliance aan toe; vooral Sifflet en Carillon, het laatste register met een 4/5'- koor (!), blijven tot in het tutti waarneembaar. Door de trekkoppel uit 1854 - gekoppeld spel vindt hier dus evenals in bijvoorbeeld de Utrechtse Dom plaats vanaf het Rugwerk - bestaat tevens de mogelijkheid de gemeentezang te begeleiden met een al dan niet in octaven verdubbelde uitkomende stem met Carillon en/of Trompet op het Rugwerk, gekoppeld aan de grondstemmen of zelfs het plenum van het Hoofdwerk. Merkwaardig blijft daarbij het feit dat het pedaal slechts via het rugwerk aan het Hoofdwerk kan worden gekoppeld; in de oorspronkelijke opzet was zelfs - naar Noord-Duitse traditie - in het geheel geen pedaalkoppel aanwezig. Het Pedaal is ongekoppeld dan ook voldoende in balans in de totaalklank; de beide tongwerken leveren een breed fundament; de Pedaal-Trompet is, al dan met aan die van het Rugwerk gekoppeld, uitstekend geschikt voor cantus-firmusspel. De eveneens eerst in 1896 aangebrachte koppeling naar het Bovenwerk vraagt om een spaarzaam gebruik en is zeker niet bedoeld voor gebruik in het tutti. Beter toepasbaar is ze in diverse combinaties met de zachte geluiden; met name de fraaie, in eer herstelde strijkers en de prachtige, enigszins snuivende Fluit dolce. De Vioola 4' geeft daarbij de mogelijkheid tot diverse kleur-registraties op 8'-en 4'-basis. Bijkomend voordeel van de trekkoppeling is daarbij dat bijvoorbeeld Brahms' 'O Welt, ich mufe dich lassen' geheel volgens de Duits-romantische terrassendynamiek kan worden gespeeld: forte ma dolce met alle klavieren gekoppeld vanaf het 1e manuaal met de 'zoete', niet zeer krachtige rugwerkprestant, al dan met gecombineerd met Fluit d'amour 4'; piano vanaf het 2e manuaal met de wijd dragende Holpijp van het aan het Bovenwerk gekoppelde Hoofdwerk en pianissimo op alleen het Bovenwerk met de beide 8'- labialen en eventueel de Vioola 4'. De merkwaardige Bovenwerk-Dulciaan, met mahonie koppen en metalen stevels, benodigt qua egaliteit nog wel enige correctie. Wel is hoorbaar dat het register enigszins neigt naar het weke karakter van een doorslaand tongwerk. 

 

Het orgel van Tholen is samengevat een in eredienst en concert, bijvoorbeeld in muziek van Bach, Mendelssohn en de degelijke Nederlandse koraalromantiek van een Bastiaans, de Lange en Litzau, breed inzetbaar instrument met een waardige orgelklank. Enerzijds staat het instrument vast in de klassiek-Friese traditie van een Lambertus van Dam; anderzijds zijn al diverse elementen van de Duitse Frühromantik; waarneembaar.